1 juni 2020

De wereld kampt met een uitbraak van een coronavirus in de mensenpopulatie. In de veterinaire wereld zijn we ook bekend met uitbraken van besmettelijke ziekten. Inmiddels hebben we draaiboeken en een sterke contactstructuur om uitbraken te voorkomen. Recent gepensioneerde varkensarts Rudolf Raymakers is een van de grondleggers van die contactstructuur. Hij vertelt wat de ontwikkeling ervan heeft gebracht en welke lessen we kunnen leren uit de ervaring met besmettelijke dierziekten voor de coronapandemie.

Bekijk de originele publicatie in het vakblad Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

biggen in stal

In 1997 kreeg Nederland te maken met een grote uitbraak van de varkenspest. “De verspreiding van de varkenspest ging heel snel,” vertelt Raymakers. “Dat kwam onder andere doordat varkens tijdens de uitbraak nog steeds vervoerd werden, terwijl dat niet de bedoeling was. Ook waren vrachtwagens vaak niet erg schoon.” Er was in die tijd meer vervoer van varkens tussen bedrijven dan nu en dat vervoer was minder goed gereguleerd. “Er was onvoldoende zicht op hoe dieren verplaatst werden,” vertelt Raymakers. “Je moest wel allerlei formulieren invullen, maar het was geen makkelijk en toegankelijk systeem. Automatisering stond nog in de kinderschoenen, dus bijna alles ging met de hand. Door de varkenspestuitbraak merkten we dat een aantal zaken in de varkenshouderij echt anders moest.”

Naar aanleiding van de uitbraak wilde Raymakers meer inzicht krijgen in de contacten van dieren en die contacten beperken. “Als dieren contacten hebben, hebben de virussen en bacteriën die ze bij zich dragen die immers ook en dat willen we voorkomen.” Daarom werkte hij samen met andere dierenartsen, de industrie, de overheid en de faculteit Diergeneeskunde aan de ontwikkeling van een betere contactstructuur.

Bioveiligheid

Binnen de contactstructuur maken we onderscheid in de contacten van dieren binnen het bedrijf en buiten het bedrijf, respectievelijk de interne en externe bioveiligheid. Om externe bioveiligheid te waarborgen, is met name identificatie en registratie essentieel gebleken: alle dieren moeten traceerbaar zijn, elk bedrijf moet een bedrijfsnummer hebben en alle verplaatsingen – en dus contacten buiten het bedrijf – moeten worden gemeld. Het feit dat dieren in een stal onder een dak worden gehouden, draagt ook bij aan externe bioveiligheid. “Vrijlopende dieren hebben meer kans om van wilde dieren virussen, bacteriën of parasieten over te nemen dan dieren die binnen staan,” legt Raymakers uit. “Denk maar aan aviaire influenza bij pluimvee en trichinellose bij varkens.”

Binnen bedrijven leidde de verbeterde contactstructuur onder andere tot de invoering van het all-in-all-out-principe. Ook het scheiden van schone en vuile wegen op het bedrijf en het gebruik van looproutes van jonge naar oudere dieren en van gezonde dieren naar minder gezonde dieren zijn belangrijke ontwikkelingen geweest in het beperken van uitbraken.

Dankzij de inspanningen van het team waar Raymakers onderdeel van was, zijn de contacten van dieren tegenwoordig inzichtelijker en beter gereguleerd. Ook is de hygiëne op veebedrijven en vrachtwagens verbeterd. Dat heeft een groot effect gehad op de veehouderij. “De laatste jaren hebben we in Nederland weinig uitbraken van dierziekten gehad en hebben we het antibioticagebruik kunnen terugdringen. Dat komt onder andere doordat we veel beter weten hoe de contactstructuren liggen.” In zijn rol als varkensarts heeft Raymakers opgemerkt dat de algemene gezondheid van dieren is verbeterd. “We zien minder hoestklachten, diarreeklachten en streptokokkeninfecties. Ook is er meer aandacht voor de conditie van de zeugen, waardoor de productie van biggen en de melkgift is verbeterd. Zeugen geven meer melk, wat de biggen sterker maakt om goed door de stressvolle periode rondom het spenen te komen.”

Drie lessen

Door zijn ervaring met de aanpak en preventie van uitbraken van besmettelijk dierziekten, kan Raymakers goed een vergelijking maken met de aanpak van onze huidige coronapandemie. “Ik steun het huidige beleid, maar het valt me op dat alle landen op eigen wijze invulling geven aan de maatregelen. Er is geen Europese aansturing. De bestrijding van besmettelijke dierziekten is wél Europees geregeld. Wanneer in Nederland een dierziekte uitbreekt, gaan direct de grenzen dicht. Het is niet mogelijk om hier een uitbraak van bijvoorbeeld de varkenspest anders aan te pakken dan in Frankrijk, dat gaat geharmoniseerd.”

“Het is gebleken dat aan het begin van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte een periode van standstill nodig is,” gaat Raymakers verder. “In die periode traceren we de besmette dieren en inventariseren we wat er precies aan de hand is, waar de ziekte heerst en waar de contacten liggen. Ook kan in zo’n periode diagnostiek plaatsvinden, zodat we te weten komen in welk stadium de uitbraak zit. Met die kennis maken we een plan. Een dergelijke aanpak was bij deze corona-uitbraak mogelijk ook een goed idee geweest.”

Raymakers gelooft dat een One Health-aanpak eveneens voordelen kan bieden. “Zoönosen zijn een belangrijk onderdeel van het vak diergeneeskunde en dierenartsen delen graag hun kennis hierover met humane artsen. Na deze coronacrisis zullen nog wel meer pandemieën komen. Het zou goed zijn om nu met humane én veterinaire artsen te kijken waar de bedreigingen zitten en wat we de volgende keer beter kunnen doen.”