28 december 2019

Steeds meer mensen zetten vraagtekens bij de manier waarop wij omgaan met de dieren in onze samenleving. We erkennen dat dieren – net als wij – kunnen voelen en lijden, dat ze intelligent zijn en dat ze een eigen waarde hebben. Zijn wij dan wel zo superieur als we vaak denken? Lisa Dietz vroeg het aan Janine Janssen, cultureel antropoloog en criminoloog. Zij denkt van niet en zou de verhouding tussen mensen en andere dieren graag wat rechter trekken. Ze schreef er een boek over: Waarom de criminologie mij dierbaar is – een persoonlijk pleidooi voor non-speciesisme1.

Bekijk de originele publicatie in het tijdschrift Vork.

gezicht voor de helft koe en de helft hond

We zijn vaak geneigd te denken dat wij het middelpunt van het bestaan zijn, iets dat we antropocentrisme noemen. Dieren zien we als ondergeschikt. Met de term ‘dieren’ omvatten we een enorme groep organismen met meer dan een miljoen verschillende soorten. Bewust of onbewust maken we een onderscheid tussen die soorten; ze hebben niet allemaal dezelfde waarde voor ons. Cultuur is hier een belangrijke veroorzaker van: het is onze cultuur om anders naar een hond te kijken dan naar een koe of een varken.

Janine Janssen vindt alle diersoorten gelijkwaardig en zij stoort zich aan ons antropocentrisme. “Wij zijn net als andere dieren een onderdeel van een ecosysteem. Het baart mij zorgen dat mensen zich vaak aan de top van dat systeem vinden staan. Ik geloof niet dat dat zo is.”

Ook in het vakgebied van Janssen, de criminologie, is het antropocentrisme ver doorgedrongen en wordt in het algemeen weinig aandacht besteed aan andere diersoorten. “We hebben dieren vaak gezien als dingen die je kan stelen of die iets anders kapot kunnen maken. Maar het zijn geen dingen, het zijn levende wezens die pijn kunnen voelen. Gelukkig komt daar nu meer aandacht voor.”

Toch blijft de mens een voorrangspositie houden. “Geweld tegen dieren vinden we vooral interessant omdat het ons misschien iets kan vertellen over geweld tegen mensen, terwijl ik het mishandelen van een paard net zo erg vind als het mishandelen van een mens. Ik zou willen dat geweld tegen dieren even belangrijk werd gevonden, dat ze een meer gelijkwaardige positie in onze samenleving krijgen. Dat heb ik onder de aandacht willen brengen in mijn boek.”

De waarde van dieren

Volgens ethicus Franck Meijboom kunnen we de dieren in onze samenleving vier verschillende waarden toekennen, die gevolgen hebben voor onze omgang met die dieren.2 De meest basale waarde is de gebruikswaarde: we zien dieren als een instrument en daarom mogen we ze gebruiken, doden en opeten voor ons gewin.

We kunnen dieren ook een morele waarde toekennen. Daarmee stellen we dat zij kunnen voelen en lijden en dat geeft de mens de morele plicht om hun lijden te beperken. We mogen dieren houden en gebruiken, maar zijn wel verantwoordelijk voor een goed welzijn. Het doden van dieren is welzijnsneutraal en daarom niet moreel verkeerd.

De intrinsieke waarde gaat nog een stap verder: we erkennen dat dieren een eigen waarde hebben. Het gebruiken en opeten van dieren is niet vanzelfsprekend; we moeten deze inbreuk op hun integriteit kunnen rechtvaardigen.

De hoogste waarde die we dieren kunnen toekennen is de inherente waardigheid. Daarmee zeggen we dat mensen en andere dieren moreel gelijkwaardig zijn. Het houden, gebruiken en opeten van dieren enkel voor ons gewin is hier niet mee verenigbaar.

Deze vier waarden kunnen we zien als een continuüm. Waar iemand op dat continuüm zit, dus hoe iemand naar dieren kijkt, verschilt per persoon en is afhankelijk van de diersoort waar het over gaat.

“We kunnen wel tegen koeien zeggen: ‘Jullie zijn burgers, jullie hebben rechten’, maar hoe eisen ze die rechten dan op?”

Een publieksenquête uitgezet door de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) laat bijvoorbeeld zien dat onze omgang met proefdieren en productiedieren lager wordt beoordeeld dan onze omgang met recreatiedieren en wilde dieren.3 Volgens de enquête vinden vrijwel alle Nederlanders (99 procent) dat dieren een eigen waarde hebben, dus een intrinsieke waarde. Toch vindt bijna de helft van de bevolking het gerechtvaardigd om dieren te doden voor hun vlees.

Ook Janssen vindt het niet moreel verkeerd om vlees te eten. “Ik eet het zelf ook, heel veel diersoorten eten vlees. Mensen hebben een gevarieerde voeding nodig. Maar ik geloof niet dat we elke dag vlees nodig hebben; ik eet het misschien eens in de twee weken. En wie verstand van zaken heeft, zal ook goed zonder kunnen. Ik vind het wel belangrijk hoe dieren geleefd hebben tot aan het einde toe; in de winkel let ik altijd op dierenwelzijn. Vlees groeit niet aan bomen, er moet iemand voor dood. Daar moeten we respect voor hebben. Dus geen kiloknallers.”

Kat kijkt naar een papegaai in een kooi
Een kat is zo vrij als een vogeltje, maar een vogel wordt in een kooitje gehouden. Bewust of onbewust maken we een onderscheid tussen de soorten.

Burgerrechten

Als we zouden stellen dat dieren een inherente waardigheid hebben, dan moeten we die waardigheid beschermen door dieren rechten te geven. Tachtig procent van de Nederlanders vindt dat dieren moreel recht op leven hebben.3 Expliciete wettelijke rechten hebben dieren echter niet. De Wet dieren neemt de intrinsieke waarde van het dier als uitgangspunt en daaruit komen gedragsregels voor mensen voort om onze omgang met dieren te reguleren.

In oktober promoveerde rechtsfilosoof Janneke Vink op het onderwerp dierenrechten. Zij vindt dat we dierenrechten moeten opnemen in de grondwet, omdat dieren net als mensen belanghebbende individuen in de samenleving zijn. Zolang we hen geen gelijke status geven, zijn hun belangen ondergeschikt aan die van mensen. Het boek Zoopolis schetst zelfs een samenleving waarin gedomesticeerde dieren, waaronder productiedieren, de status van burger hebben en dus dezelfde rechten hebben als mensen.4

Janssen heeft hierover haar bedenkingen. “We kunnen wel tegen koeien zeggen: ‘Jullie zijn burgers, jullie hebben rechten’, maar hoe eisen ze die rechten dan op? Recht zoals wij dat kennen is zo menseigen. Het is wel sympathiek om te zeggen dat andere soorten ook mee mogen doen, maar kúnnen die wel meedoen?”

Amnesty International is eveneens kritisch over dierenrechten. Op hun website staat: “Aan dieren kunnen geen ‘rechten’ worden toegekend: dieren hebben niet de geestelijke vermogens die nodig zijn om als rechtspersoon op te treden. Aan dieren kan geen geweten worden toegeschreven, ze hebben geen verantwoordelijkheid voor de uitoefening van rechten of plichten, ze kunnen niet door mensen worden berecht.”5

Een tegenargument is dat ook kinderen en verstandelijk beperkten niet de geestelijke vermogens hebben om als rechtspersoon op te treden. We zouden dieren onder diezelfde kwetsbare groep kunnen scharen. “Dat is een begrijpelijk argument,” zegt Janssen. “Individuen uit kwetsbare groepen kunnen inderdaad niet zoals een goed functionerende volwassene meedoen aan het rechtssysteem en het is goed dat de wetgever dat onderkend heeft. Ik vind het een sympathiek idee om dieren daaraan toe te voegen. Maar dat doen we dan ook met volwassen dieren die in principe goed functioneren en die komen daardoor niet in een volwaardige positie in dat rechtssysteem terecht. We passen ze dan toch weer in dat menselijke systeem in. Dat kunnen we nooit helemaal oplossen.”

Dat hoeft echter geen probleem te zijn. “Het recht zoals wij dat kennen heeft als doel om bij te dragen aan het reguleren van mensengedrag,” vervolgt Janssen. “Ook het toekennen van rechten aan dieren is uiteindelijk een instrument om iets aan het gedrag van mensen te doen. Als we stellen dat een aap recht op vrijheid heeft, betekent dat dat wij mensen niet aan de vrijheid van de aap mogen komen. Het recht gaat niet over de situatie dat aap A wordt bedreigd door aap B.”

“We moeten naar een visie op onszelf dat we onderdeel zijn van een ecosysteem, van een groter geheel.”

Hoewel er dus haken en ogen zitten aan het geven van rechten aan dieren, vindt Janssen dat dierenrechten wel een belangrijke symbolische factor hebben. “We stellen daarmee een stevige daad; het laat zien dat we dit een belangrijk onderwerp vinden. Door ons gedrag hebben we enorme invloed op het leven van andere dieren. Dat brengt morele plichten met zich mee, waar wij als mensheid tot op heden geen geweldige invulling aan hebben geven. Met het invoeren van dierenrechten zeggen we eigenlijk: ‘Mensen, we gaan te ver, er zijn grenzen aan hoe we met andere dieren mogen omgaan’.”

Panda’s en wandelende takken

Wat Janssen betreft bereiken we een betere omgang met dieren niet alleen door ze rechten te geven, maar door onze kijk op dieren aan te passen. “We moeten meer naar een visie op onszelf dat we onderdeel zijn van een ecosysteem, van een groter geheel. Niet: ‘We hebben mensen en dan komt de rest’, maar: ‘Er zijn heel veel andere soorten en wij zijn er ook nog’. We hebben te weinig oog voor de verscheidenheid en de eigenheid van andere diersoorten. Ieder dier is anders, ieder leven ziet er anders uit, zintuigelijke vermogens zijn anders, dus ieder dier neemt de wereld op een andere manier waar. Maar dat betekent niet dat die manier mínder is. Dat is wat ik bedoel met non-speciësisme in de titel van mijn boek. Ik wil de positie van mensen wat nuanceren en meer in verhouding leven met alles wat er om ons heen is.”

“We laten ons vaak leiden door wat we leuk vinden. Voor een pandabeer lopen mensen harder dan voor een wandelende tak, want we vinden de panda er leuker uitzien. We redeneren altijd vanuit onszelf. Maar we moeten over onze voorkeuren heenstappen. Ik kijk ook liever naar een kat dan naar een wandelende tak, maar die wandelende tak doet er an sich toe. En voor die wandelende tak maakt het niet uit wat ik ervan vind. Er is niks mis mee dat bepaalde dieren ons esthetisch meer aanspreken, maar daar moet geen moreel oordeel aan hangen.

“Er zijn mensen die het anders zien, die niet vinden dat mensen dieren zijn of als ze al dieren zijn dan wel iets heel bijzonders. Maar ik ben aangenaam verrast door de reacties die ik tot nu toe op mijn boek heb gehad. Ik hoop dat het bijdraagt aan dialoog, aan een gesprek over een aantal dingen die we te vaak vanzelfsprekend hebben gevonden.”

  1. Janssen, J.H.L.J (2019). Waarom de criminologie mij dierbaar is – een persoonlijk pleidooi voor non-speciesisme. Boom criminologie.
  2. Meijboom, F.L. (2012). Houden van dieren, over morele rechtvaardiging, doelen en waarden bij het houden van dieren. Universiteit Utrecht.
  3. RDA (2018). De staat van het dier. Kantar Public.
  4. Donaldson, S., & Kymlicka, W. (2011). Zoopolis: A political theory of animal rights. Oxford University Press.
  5. Amnesty International. Dierenrechten en mensenrechten. https://www.amnesty.nl/encyclopedie/dierenrechten-en-mensenrechten