Auteurs: Lisa Dietz, Vivian Goerlich-Jansson, Claudia Vinke

De hond is een zeer geliefd huisdier; er zijn er zo’n 1,5 miljoen in Nederland.1 Ieder jaar weer overwegen veel gezinnen om een hond of pup te nemen middels een fokker of via andere wegen. Sommigen overwegen als liefdevolle en goede daad om een arme kansloze zwerfhond uit het buitenland te adopteren, die door verschillende organisaties vanuit o.a. Zuid- en Oost Europese landen naar Nederland worden gebracht. Van de ongeveer 120.000 geïmporteerde honden die er jaarlijks bijkomen in Nederland is het grootste deel echter afkomstig van puppyhandel.2 Aangezien het aanbod aan pups door Nederlandse fokkers niet kan voldoen aan de enorme vraag, floreren in Oost-Europa, met name Hongarije en Slowakije, de commerciële fokkers die grootschalig pups fokken om deze vervolgens door te verkopen aan handelaren in Nederland en andere west-Europese landen (fig. 1). Ondanks dat eigenaren met de beste bedoelingen buitenlandse honden een kans willen bieden, zijn de gevolgen voor het welzijn van deze dieren soms niet te overzien. Hieronder worden de mogelijke oorzaken hiervan vanuit de eerste levensfase belicht, gebaseerd op bevindingen uit ons recent verschenen review3.

Bekijk de originele publicatie in het tijdschrift Mens en Dier.

Importhonden hebben doorgaans niet de beste start in hun leven gehad. Zwerfhonden zijn vaak slecht gesocialiseerd op mensen of hebben een mentaal trauma opgelopen door contact met mensen. Ook in de puppyhandel laat de invulling van de eerste levensfase vaak te wensen over en worden pups vroeg bij de moeder weggehaald en op transport gezet. Onderzoek wijst echter uit dat juist de vroege levensfase van een hond ontzettend belangrijk is voor de ontwikkeling van een normaal en natuurlijk gedragspatroon en een goed aanpassingsvermogen (i.e. de veerkracht om met veranderingen in de omgeving om te kunnen gaan).

Wanneer in deze levensfase te weinig aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van een pup kan dit leiden tot gedragsproblemen zoals angst en agressie wanneer het dier volwassen wordt. Dikwijls belanden deze juist zo kwetsbare honden hierdoor in het asiel, worden regelmatig herplaatst of zelfs ingeslapen. Helaas wordt het belang van de vroege levensfase voor een normale ontwikkeling van gedrag bij honden nog te vaak onderschat. Enkele factoren die een belangrijke rol in de gedragsontwikkeling spelen tijdens de vroege levensfase van een pup zijn moederzorg, hechting met de moeder en socialisatie.

A baby needs its mother

In de eerste drie weken van hun leven zijn pups nog doof, blind en motorisch onderontwikkeld, waardoor ze sterk afhankelijk zijn van hun moeder. De moeder zorgt voor haar pups door hen te voeden en te likken. Zowel de kwaliteit, bijvoorbeeld de positie van de moeder tijdens het voeden, als de kwantiteit van de moederzorg beïnvloeden de gedragsontwikkeling van het jonge dier en hebben met name een effect op de stressbestendigheid van het dier op latere leeftijd.

Doordat het jong om zorg vraagt door de nabijheid bij de moeder te zoeken en de moeder hierop reageert met zorg en bescherming, ontstaat er hechting tussen de moeder en haar jong. Dit geeft het jong een gevoel van veiligheid (een secure base effect), wat angst reduceert en exploratiegedrag stimuleert. Doordat de kwaliteit en kwantiteit van de moederzorg verschilt tussen de moeders worden er ook verschillen gezien in hechtingsvormen tussen moeder en jong. Zo kan een onzekere hechting ontstaan wanneer de moeder te vroeg wordt weggehaald bij haar nest of wanneer de moeder door te veel stress te weinig aandacht en moederzorg kan bieden aan haar jongen. Een onzekere hechtingsvorm geeft een hoger risico op de ontwikkeling van gedragsproblemen op latere leeftijd.

Eerste socialisatie

Vanaf drie weken leeftijd worden pups minder afhankelijk van hun moeder en begint de eerste gevoelige periode voor socialisatie, die gemiddeld duurt tot twaalf weken leeftijd. In deze periode is het brein van een pup erg gevoelig voor het leggen van verbanden tussen prikkels uit de omgeving en vindt de aanleg plaats van de emotionele centra in het brein. Een pup zal in deze periode daarom veel exploreren om hiermee de karakteristieken van bepaalde prikkels te onderzoeken en te ontdekken. Het is dan ook belangrijk dat een pup gedurende deze periode de mogelijkheid heeft om in contact te komen met veel verschillende prikkels, zoals mensen, soortgenoten en andere dieren, objecten, geluiden en locaties. Met name van belang is dat de pup deze prikkels gaat associëren met positieve emoties en dat hij leert of de prikkels relevant zijn voor zijn toekomst (prikkelselectie). Ook spelen met nestgenoten en interacties met de moeder zijn essentiële factoren in deze fase voor het aanleren van sociale vaardigheden.

Richting het einde van de socialisatieperiode ontwikkelen pups een angst voor het onbekende en wordt het steeds moeilijker om positieve associaties aan te leggen met nieuwe stimuli. Op dat moment is het stresssysteem al ontwikkeld, maar nog erg kwetsbaar. Pups zijn juist dan gevoelig voor het oplopen van mentale trauma’s. Denk hierbij aan het transport bij importhonden, waarbij slecht verlopen transporten kunnen leiden tot levenslange gedragsproblemen met en rondom autorijden.  

Wanneer een pup te weinig gestimuleerd wordt tijdens de eerste socialisatieperiode kan dit leiden tot de ontwikkeling van een diversiteit aan angstgerelateerde gedragsproblemen, zoals extreme verlatingsangst, angstagressie, geluidsangst en gegeneraliseerde angst. Ook het te vroeg weghalen van een pup uit zijn nest verstoort deze belangrijke ontwikkelingsfase en leidt tot een verhoogd risico op gedragsproblemen (o.a. hechtingsproblemen en inflexibiliteit t.a.v. nieuwe prikkels en omgevingen). Overigens kan teveel prikkeling ook tot problemen leiden.

Tweede socialisatie

Na de eerste socialisatieperiode volgt een periode waarin eerder aangelegde associaties worden versterkt en geconsolideerd. Dit wordt soms de late of tweede socialisatieperiode genoemd. Er zijn aanwijzingen dat slechte ervaringen of een gebrek aan ervaringen in de vroege levensfase deels kunnen worden gecompenseerd in deze latere fase. Echter, tot op welke hoogte dit van toepassing is, is nog onbekend. Zeker is dat ook deze periode met zorgvuldigheid moet worden ingevuld om de pup een fijn leven te bezorgen.

Bij honden uit het buitenland zal aan deze periode mogelijk ook extra aandacht moeten worden besteed om te kijken of compensatie van de voorafgaande periode mogelijk is. Dit betekent wel dat de nieuwe eigenaar op de hoogte moet zijn van het belang van deze gevoelige periodes in het jonge leven van een hondenpup. Ook moet de eigenaar zich realiseren hoe kwetsbaar de invulling hiervan kan zijn geweest bij een pup uit het buitenland. De dierenarts kan hier een belangrijke rol spelen door de eigenaar te informeren bij een eerste bezoek aan de praktijk en door het jonge dier ook gedragsmatig te bekijken.

Socialisatiedeficiënte honden zijn te herkennen aan angstig gedrag, slecht herstel van angst, overgevoeligheid voor normale prikkels en hyperalert zijn. Hoewel deze dieren met een behoorlijke achterstand in het leven zijn begonnen kan gedragstherapie mogelijkheden bieden om ze tot een geschikte gezelschapshond te maken. Echter, hoe langer een gedragsprobleem bestaat, hoe slechter de prognose. De Gedragskliniek voor Dieren kan hierbij adviseren en helpen een behandelplan op te stellen.

  1. HAS Hogeschool, Den Bosch & Faculteit Diergeneeskunde, Utrecht (2015). Feiten en cijfers van de gezelschapsdierensector. Beschikbaar op http://edepot.wur.nl/361828.
  2. Van Uhm, D.P. (2010). De puppydossiers: een koppeling tussen theorie en praktijk. Beschikbaar op https://dspace.library.uu.nl/handle/1874/358074.
  3. Dietz, L., Arnold, A. M. K., Goerlich-Jansson, V. C., & Vinke, C. M. (2018). The importance of early life experiences for the development of behavioural disorders in domestic dogs. Behaviour155(2-3), 83-114.