Oktober 2020

De oor- en teenknip als identificatiemethode bij knaagdieren is een veelbesproken onderwerp in het kader van dierenwelzijn. Met name de teenknip stuit nog wel eens op weerstand, onder andere in de Tweede Kamer. Die zou graag zien dat deze uitgefaseerd wordt. Daarom heeft minister Schouten van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan het NCad gevraagd om een nieuw advies uit te brengen over het gebruik van de oor- en teenknip. In dit artikel licht NCad-lid Jan-Bas Prins het advies toe.

De oor- en teenknip worden gebruikt omdat daarmee een dier in één handeling zowel geïdentificeerd als gekarakteriseerd – gegenotypeerd – kan worden. Het NCad heeft alternatieve methoden voor identificatie en karakterisatie onderzocht en in een overzichtelijk diagram geplaatst (Tabel 1). Zowel invasieve als niet-invasieve methoden zijn bekeken, waarbij invasief is omschreven als ‘door de huid heen gaan’. “Een rectale swab wordt volgens die definitie niet als invasief gezien, maar daar kun je over discussiëren,” aldus Prins.

Het NCad concludeerde dat identificatie en karakterisatie in één handeling alleen mogelijk is met invasieve methoden. Hiervoor zijn alleen de oorknip en de teenknip beschikbaar. Het gebruik van een niet-invasieve identificatiemethode betekent dat de karakterisatie apart moet worden gedaan en er dus ten minste twee handelingen aan het dier worden verricht. Ook zijn veel niet-invasieve identificatiemethoden, zoals scheren of markeren met een stift, maar tijdelijk. Het dier zou hiervoor dus vaker gehanteerd moeten worden. “Uit onderzoek blijkt dat het fixeren van een dier meer stress geeft dan de handeling waarvoor het dier gefixeerd wordt, zoals scheren of markeren,” weet Prins te vertellen. “Als voor niet-invasieve identificatie herhaaldelijke fixatie nodig is, kun je je afvragen of dat beter is dan een eenmalige invasieve methode.”

Het gebruik van duurzame, invasieve identificatiemethoden zoals tatoeages en oormerken (methode 3 t/m 7 in Tabel 1), bij dieren die ook gegenotypeerd moeten worden, is om een andere reden ongewenst. Er is dan namelijk een tweede betrouwbare handeling nodig die genoeg weefsel oplevert voor karakterisatie. Als het ongerief van deze gecombineerde handelingen groter is dan dat van het inbrengen van een naald, is sprake van een dierproef. Dan is een projectvergunning vereist en schiet het aantal dierproeven in de registratie omhoog. De oor- en teenknip worden niet gezien als dierproef, maar als onderdeel van de gangbare huisvestingspraktijk.[1]

Welzijnsaantasting

Momenteel luidt het advies om zowel de oorknip als de teenknip niet af te schaffen. “Als we de teenknip verbieden, laten we de oorknip toe. Dan kan je je afvragen waarom de teenknip qua dierenwelzijn minder acceptabel is dan de oorknip. Allebei zijn ze een vorm van mutilatie en bij allebei zijn er aanwijzingen dat het een effect heeft op het dier. Maar de welzijnsaantasting van de teenknip is zover we weten niet groter dan die van de oorknip. Als we de één verbieden, moeten we de ander ook verbieden. Dan blijven alleen niet-invasieve methoden over.”

Volgens Prins komt de weerstand tegen de teenknip vooral doordat we vaak vanuit onszelf denken. Als we bij een mens een vingerkootje zouden afknippen, is dat erger dan een gaatje in het oor. Maar dat kan voor een muis heel anders zijn. Sommige instituten hebben juist een positieve ervaring met de teenknip. Die vinden dat herkenning sneller gaat dan bij de oorknip, waardoor minder fixatie van het dier nodig is. Dat leidt tot minder ongerief voor het dier.

Tabel 1. Bestaande methoden voor identificatie en karakterisatie. Met uitzondering van methoden 8 en 16 dienen de dieren gefixeerd te worden om de handeling uit te voeren.[1]

Hoewel we ervanuit gaan dat zowel de oorknip als de teenknip een vorm van welzijnsaantasting voor het dier zijn, is het lastig dit met onderzoek aan te tonen. De methoden worden gebruikt bij jonge pups, waarbij het zenuwstelsel en het vermogen om pijn waar te nemen nog niet volledig is ontwikkeld. Wel is onderzocht of de teenknip op latere leeftijd een effect heeft op het gedrag van het dier of het gebruik van het aangedane pootje. Hier is geen bewijs voor.

Afweging

Het nieuwe advies doet ook een moreel appel op onderzoekers en biotechnici. “Het ongerief van de oor- of teenknip zou meegenomen moeten worden in de welzijnsevaluatie van een dier. Volgens de wet- en regelgeving mogen we alleen het ongerief in het kader van de proef beoordelen. Naar ‘randongerief’ – ongerief door handelingen die niet direct onderdeel van de proef zijn, zoals identificatie – kijken we niet. Ik vind dat niet transparant. Daarom is ons advies om wel eens naar dat randongerief te kijken en af te wegen of er misschien geschiktere alternatieven zijn.”

Bij sommige experimenten kan prima worden volstaan met minder duurzame niet-invasieve identificatiemethoden, bijvoorbeeld als dieren maar kort zullen leven omdat ze in een kortdurende proef zitten. Daarnaast is identificatie niet altijd nodig. “Het komt weleens voor dat een onderzoeker vindt dat de dieren individueel herkenbaar moeten zijn, terwijl de experimentele eenheid niet het dier is maar de kooi,” legt Prins uit. “Met zo’n onderzoeksopzet is het niet altijd noodzakelijk om het individuele dier te kunnen herkennen. Een goed begrip van je experimentele ontwerp en je experimentele eenheid is dus belangrijk. Zulke afwegingen kunnen meer op de voorgrond komen als we daar bewustzijn voor creëren. Als we mensen aanspreken en laten inzien wat de mogelijkheden zijn. Ons advies kan daarom goed bijdragen aan discussies binnen instellingen over dit lastige onderwerp.”

Verschillende motivaties en ervaringen spelen een rol in de keuze voor een methode. Wanneer na kritische afweging de teenknip de beste methode blijkt, is het van belang om dat volgens good practice te doen. Dat houdt in: zo min mogelijk weghalen (alleen een kootje en niet de hele teen), van maximaal een teen per poot bij een pup van zeven dagen oud.

Nieuwe technologie

Het NCad heeft de overheid geadviseerd om meer onderzoek te doen naar niet-invasieve methoden voor identificatie, zodat de oor- en teenknip misschien op termijn wel uitgefaseerd kunnen worden. “Er zijn nieuwe technologieën in opkomst, zoals artificial intelligence en gezichtsherkenning. Bij koeien en varkens wordt gezichtsherkenning al gebruikt. Voor jonge dieren zijn die technologieën nu nog geen volwaardig alternatief, maar dat kunnen ze in de toekomst wel zijn.”

Literatuur:
1. Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (2020). Zorgvuldige weging van methoden voor identificatie en genetische karakterisatie.