7 december 2019

De Universiteit Utrecht is voortrekker op het gebied van alternatieven voor dierproeven in Nederland: steeds vaker doen we onderzoek met minder of zonder proefdieren. Wouter Dhert, decaan van de faculteit Diergeneeskunde stelt dat we ons “serieus moeten openstellen voor de vraag of dierproeven echt nodig zijn.” Sinds maart dit jaar is hij namens de VSNU lid van de kerngroep Transitie Proefdiervrije Innovatie, waar overheid, maatschappij, bedrijfsleven en wetenschap samenkomen. Collega hoogleraar Daniela Salvatori leidt vanuit het strategisch thema Life Sciences het transitieteam proefdiervrije innovatie op de Utrechtse campus. Het gebruik van dieren voor klinisch onderwijs valt ook onder dierproeven, maar hiervoor bestaat nog niet altijd goede vervanging.

Bekijk de originele publicatie in het magazine Vetscience.

plastinaat van hond

Voortplantingsspecialist Jeffrey de Gier en nierspecialist Astrid van Dongen hopen daar verandering in te brengen met een nieuw model gemaakt van gedoneerde dieren. Samen met Arend Schot, Jacobine Schouten en Claudia Wolschrijn, medewerkers van de afdeling Anatomie & Fysiologie, werken zij aan een model op basis van zachte plastinatie.

Vaginaal onderzoek

In het derde jaar van de opleiding tot dierenarts krijgen studenten een practicum waarin ze onder andere vaginaal onderzoek leren uitvoeren bij een hond. Om de belasting voor de honden te beperken, krijgen niet alle studenten de kans om dit onderdeel te oefenen. Ook het plaatsen van een urinekatheter bij een teef oefenen studenten niet tijdens de studie omdat dit te belastend is voor de honden. Het valt De Gier op dat studenten steeds bewuster nadenken over het gebruik van proefdieren in het onderwijs en een steeds kritischere houding aannemen. Gelukkig bestaat er sinds 2016 het 3V-stimuleringsfonds: een gezamenlijk fonds van de Universiteit Utrecht en het UMC Utrecht, ter ondersteuning van onderzoek naar vervanging, vermindering en verfijning van dierproeven. De Gier, Van Dongen en Wolschrijn zagen dit als een mooie kans om een nieuw model te ontwikkelen voor het oefenen van vaginaal onderzoek en het plaatsen van een urinekatheter, dat de honden in het practicum kan vervangen.

Zachte plastinaten

De techniek van zachte plastinatie conserveert een overleden dier – gedoneerd via het dierdonorcodicil* – op een zodanige manier dat het preparaat soepel blijft. Het is een variant op de harde plastinatie, een techniek die Schot al jaren toepast om het proefdiergebruik in het anatomie-onderwijs te verminderen. Door een aanpassing aan de olie die hij voor het plastineren gebruikt, en door een andere techniek voor uitharden te gebruiken, blijft er een zacht, flexibel preparaat over; bijna levensecht, met veel potentie voor anatomie-onderwijs én voor klinisch onderwijs. Een veelbelovende techniek dus, alleen de grootte van het dier vormde nog een uitdaging.

Een halve hond

Om goed te kunnen oefenen moet het onderwijsmodel een redelijk formaat hebben, dat van een middelgrote hond. Slechts de achterkant van een hond – inclusief blaas en baarmoeder – volstaat. Schot en Schouten hadden nog niet eerder een zacht plastinaat van dat formaat gemaakt. Nadat de aanvraag voor het 3V-stimuleringsfonds was goedgekeurd, zijn zij aan de slag gegaan met een model en bleek dat ook grotere dieren flexibel blijven met de nieuwe techniek. Ook bleek het vaginaal onderzoek – waarbij een kijkinstrument wordt ingebracht – uitvoerbaar op het model. Momenteel werkt Schot aan een tweede model, met wat kleine aanpassingen om het plastinaat nóg flexibeler te maken.

(Bijna) proefdiervrij

Wanneer het model aan alle wensen voldoet, zal Schot er nog drie bijmaken en zullen de modellen de honden in het practicum vervangen. Dan kunnen wél alle studenten het vaginaal onderzoek en het inbrengen van een urinekatheter oefenen voordat ze dit bij een echte patiënt moeten doen. Buiten het practicum om zullen de modellen in het skillslab komen: een plek voor studenten om klinische handelingen te oefenen. Daarnaast wil De Gier het model gaan inzetten in specialistenonderwijs, voor het oefenen van insemineren, en in postacademisch onderwijs, omdat hij merkt dat dierenartsen in de praktijk het voortplantingsonderzoek lastig vinden.

De Gier en Schot zien ook andere mogelijkheden voor zachte plastinaten ter vervanging van proefdiergebruik in het onderwijs. Schot verwacht dat studenten op termijn meer klinische handelingen zullen oefenen op zachte plastinaten in skillslabs, bijvoorbeeld bloed afnemen en intuberen (het inbrengen van een beademingsbuis in de luchtpijp). Voor sommige handelingen, zoals het luisteren naar hart en longen, kan een plastinaat alléén, geen geschikte vervanging bieden voor een levend dier. Maar in combinatie met opnames en touch pads is het ook hier mogelijk om alternatieven te ontwikkelen.

* Via het dierdonorcodicil, een samenwerking samenwerkingsverband tussen de stichting Proefdiervrij en de Universiteit Utrecht, kunnen eigenaren hun overleden dier doneren aan de faculteit Diergeneeskunde voor onderwijs.