7 december 2019

De melkveeindustrie maakt veelvuldig gebruik van sensoren om informatie over dieren te verzamelen. Hiermee kunnen veehouders diergezondheid monitoren en hun bedrijfsvoering verbeteren. De sensoren hangen aan een halsband om de nek van de koeien of zitten in het oor, en meten onder meer beweging en herkauwactiviteit. Momenteel onderzoekt hoogleraar Dierenwelzijn Bas Rodenburg het gebruik van sensoren bij vleesvarkens en legkippen, en gaat hij zelfs een stap verder: hij streeft ernaar het welzijn van individuele dieren te meten aan de hand van hun gedrag.

Bekijk de originele publicatie in het magazine Vetscience.

varken

Kortgeleden heeft Rodenburg samen met de universiteiten in Wageningen en Eindhoven een beurs ontvangen. “We gaan onderzoeken of we met sensortechnologie individuele varkens en kippen kunnen volgen en onder meer hun sociale gedrag meten. Daarvan kunnen we veel leren over de voorkeuren van een dier en over zijn functioneren in de groep en de omgeving.”

Het doel is die informatie te gebruiken om bedrijfsvoering te verbeteren, maar ook om dieren te selecteren voor de fokkerij die goed omgaan met elkaar en met de omgeving. Dit bevordert het welzijn van de hele groep. “Wageningen draagt bij met kennis over fokkerij en Eindhoven werkt veel met sensortechnologie en volgsystemen, camera’s die individuele dieren herkennen en volgen. In Utrecht zijn we expert op het gebied van diergezondheid en -gedrag.”

Halsbanden en rugzakjes

De sensoren kunnen verschillende gegevens verzamelen, afhankelijk van het type sensor dat een dier kan dragen. Kippen kunnen geen halsband om; zij dragen de sensor als een rugzakje of een pootring. Bij varkens hebben de sensoren de vorm van een oormerk. Sommige sensoren zenden actief een signaal uit, waardoor de locatie van een dier in de stal continu wordt geregistreerd. “Dat geeft ons informatie over ruimtegebruik, aanwezigheid bij voervoorzieningen en het sociale netwerk van een dier”, legt Rodenburg uit. Een verandering in het gebruikelijke gedragspatroon, zoals vaker liggen of minder interesse in eten, is een indicatie voor ziekte en verminderd welzijn.

“Wanneer een varken bijvoorbeeld is verwond en een ander varken staat daar steeds bij in de buurt, dan is dat waarschijnlijk de bijter.”

De juiste match

Verbetering van het welzijn van varkens en legkippen moet van twee kanten komen. “We hebben nieuwe houderijsystemen waarin dieren meer ruimte hebben, maar dat vraagt ook iets van het dier. Ik houd me bezig met een goede match tussen dier en omgeving”, aldus Rodenburg.

“We gaan de volgsystemen uit Eindhoven gebruiken om sociale interacties tussen dieren te monitoren. Wanneer een varken bijvoorbeeld is verwond en een ander varken staat daar steeds in de buurt, dan is dat waarschijnlijk de bijter. Zo kunnen we dieren selecteren om mee te fokken die vooral op de omgeving gericht zijn en niet op elkaar. En als ze wel met elkaar bezig zijn, dan op een positieve manier. De bijters sluiten we uit van fokkerij. Zo verminderen we welzijnsproblemen.”

Enerzijds moet het dier dus goed zijn aangepast aan zijn omgeving, anderzijds kunnen we problemen ook oplossen door de omgeving, ofwel de bedrijfsvoering, aan te passen. Rodenburg illustreert dit aan de hand van een veelvoorkomend probleem bij legkippen: smothering. Kippen gaan dan – vaak om onduidelijke redenen – dicht tegen elkaar en óp elkaar zitten waardoor er uiteindelijk kippen stikken. “We willen automatisch kunnen detecteren waar en wanneer een opeenhoping van kippen ontstaat. Dat kunnen we vervolgens opheffen door op een andere plek in de stal iets interessants aan te bieden, zoals vers strooisel waar de kippen in kunnen pikken.”

“Een veelgehoord kritiekpunt is dat robots straks onze kippen verzorgen.”

Vooruitblikken

Het monitoren van dieren met sensortechnologie wordt op dit moment voornamelijk in onderzoek toegepast en nog weinig in de varkens- en pluimveehouderijen. “Ik denk wel dat het gaat komen; er ontstaat steeds meer interesse vanuit veehouders. Ook vanuit de afnemers, supermarkten, komen vaker vragen: ze willen het welzijn van de dieren kunnen traceren.”

Rodenburg verwacht dat het volgen van dieren via sensoren met tien à twintig jaar redelijk gemeengoed zal zijn. Wel benadrukt hij dat wij, mensen, het dier niet uit het oog moeten verliezen. “Een veelgehoord kritiekpunt is dat robots straks onze kippen verzorgen. We moeten goed nadenken hoe we de sensoren op een zinvolle manier toepassen, bijvoorbeeld door ze te koppelen aan ideeën rond kringlooplandbouw en robuustere dieren met hele staarten en hele snavels. Dat is waarvoor ik het wil inzetten.”